Taal en letteren, Volume 8 (Google eBook)

Front Cover
Foeke Buitenrust Hettema, J. H. van den Bosch, Roeland Anthonie Kollewijn
W.E.J. Tjeenk Willink, 1898 - Dutch philology
0 Reviews
  

What people are saying - Write a review

We haven't found any reviews in the usual places.

Common terms and phrases

Popular passages

Page 294 - Nicht die Wahrheit, in deren Besitz irgend ein Mensch ist, oder zu sein vermeinet, sondern die aufrichtige Mühe, die er angewandt hat, hinter die Wahrheit zu kommen, macht den Wert des Menschen.
Page 310 - IK wijd aan U dees Verzen, zwaar geslagen Van Passie, en Verdoemenis, en Trots, In doods-bleek marmer of dooraderd rots, Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen. Zij zijn doorleefd: 'k heb daarin neergedragen, Rijk-handig, al wat, in den loop des Lots, Aan menschen-liefde of hooge Liefde Gods, Dit dood-arm Wezen heeft te voelen wagen. Ik, die mijn Leven uit-te-zeggen zoek, Heb al mijn lieve voelen, zoeken, tasten En weten in dit somber boek gevat.
Page 375 - t Is al vergeefs dit huis 1825 Verdaedight: hadden wy 't in ons behoed genomen, 'tEn waer met Amsterdam zoo verre noit gekomen: Dus wederstreef niet meer uw trouwe gemaelin. Verlaet uw wettigh erf, en quel u nergens in. Al leit de stad verwoest, en wil daer van niet yzen : 1830 Zy zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen, Want d' opperste beleit zijn zaecken wonderbaer.
Page 13 - Nehmen wir aber die Aufgabe an! Läfst sich der Geschmack nach Rezepten bilden? Ändert sich nicht das Schönheitsideal ? Ist es nicht eine gewaltige Verkehrtheit, sich künstlich in die Bewunderung von Dingen hineinzuzwingen, die bei allem historischen Interesse, bei aller Schönheit im einzelnen, unserm übrigen Denken und Sinnen, wenn wir überhaupt ein eigenes haben, doch vielfach fremd gegenüberstehen? Eine wirkliche Nation hat ihren eigenen Geschmack, und holt ihn nicht bei andern. Und jeder...
Page 89 - Een hooft vol wind en wijn / Een hart vol suchts en pijn / Een lichaem gants vol qualen Heeft Venus en de kroes / Of selfs die leyde droes / My dickwils doen behalen.
Page 88 - Ten gingh ter ziel noch sin Soo nyver my niet in Als 't eygen selfs beleven. Nu heb ick 't al versocht : Soo dol als onbedocht, Soo rauw als onberaden. Och Godt! ick heb te blind En al te seer bemind De dingen die my schaden.
Page 359 - Gelijck een glansrijck licht, uit aller glanssen ader, De zonne, en dit verstant is een verstandigheit, Die, goddelijck van aert, met reden wort gezeit De beste Zoon te zijn van 't beste goet des grooten. De ziel der weerelt, uit 't verstant van 't goet gevloten, 955 Gelijck een strael van 't licht, straelt sterck met haerenstrael Door alles, onderhoudt en zielt het altemael.
Page 70 - O Margarieta schoon, o uytghelesen Bloeme Stroyt uyt u braef verguit en lang Goudt dradich Haer Dat de Sonne beschaemt verwondert is en hoe me De Roosen, en 'tYvoor zoo Marmelt door malcaer.
Page 490 - t een volght 't ander wee; De waerheyd als een rots in 's weerelds wilde zee De woeste baren stuyt der sinnen die oneven Steeds worden van den wind der leeringen gedreven. Wie het eens is met dwepers als Schwenckfeldt , „syn vastigheijd verliest en tUymelt gants onseker...
Page 551 - Gij wetenschappen en gij kunsten ! gij krachten, machten, gaven, gunsten, door d' Adem Gods in ons verwekt! Weg met den dienst der heiligschennis ; gij hoort den Goei toe , wiens kennis eerlang het aardrijk overdekt!

Bibliographic information