gemeenlyk geen Drift inkoomt. Zodanig dat onder*dè kredehaars de Zielroerende in het gemeen het minfte bequaam zyn tot LofredenerT; en in het • tegendeel de geenen die het befte in Lofredenen gelukken; hebben 'weinig verftandt om de; Driften * te' verbeelden. ''~;: >, 'J":. , , •' .'J 1 1 " 1 Maar indien Cècilius zich verbeeldt hebbedat het Zielroerende in het algemeen niet? tot het Verhevene dóet, 'eti dat het bygevolg onnodig ware 'er vart te fpreeken , , dwaalt hy niet minder.' Want ik durf zeggen dat 'er mogelyk niets is dat eene Redevoering meer luifter byzet dan eene fraaije beweeging en eene Drift die wel te pas voortgebragt wordt. En het is inder daadt gelyk een foort van vervoering en aangenaame woede die de Redenvoering leven byzet, en haar een vuur, en eene gantfch Goddelyke kracht geeft. ''" •'

: - t "!.; '. . ..'

',* • t' ,.\ -.j. ;,; . . . , ,

s VII. HOOFT

". . VU. HOOFTSTUK. ..' Van de Verheventheit der Gedachten.

'. I "i.'j 130 l■",. . ''O

Ho g w E L van de vyf deelen daar ik van gefprooken heb , de eerlte en de voornaamfte , te weetcn die natuurlyke verheffing van Gedachten, eer een hemelgaaf zy dan eene hoedanigheit die men verkrygen 'kan moeren wy echter zoo veel in ons vermogen is, onzen geeft omtrent het Verhevene be+ zig, en altydt bezwangerthouden,onl zoo te fpreeken , met eene zekere edelaardige hoogmoedigheit.

Ik heb elders gezeit dat die Verheffing van geeft een af beeltfelder groothartigheit is; en daarom ftaan wy altemet verbaaft over de enkele gedachte van eenen man, fchoon hy niet fpreekt, om de.grootmoedigheit die wy inhern befpeuren. By voorbeeldt , de ftilzwygentheit van Ajax in de Hel *: Want die ftilzwygentheit heeft iets dat

groo

• In het elfde Boek T«n de Odvfea, d»'r TTlyflès i!ch onder«Jatjig lanftelt voor Ajax, ca hemftdt jlMM Aju verwaardigt lick niet om te amwooidtj. ,'i

grootcr is dan al het geen hy zou hebben konnen zeggen, v '.: ,:?.ï

De eerlle hoedanigheit die men dan in ecoen waaren Redenaar onderftellen moet, is, dat hy geene laage ziel moet hebben. En in der daadt y het is niet mogelyk dat een man die geduurende zyn gantfche leven niet dan onedele en flaafachtige gevoelens heeft, ooit iets voortbrengen kan dat zeer wonderbaar , en des Nazaats waardig zy. N icmant kan naar allen fchyn eene verhevene Redenvoering doen dan die hooge en edele gedachten heeft, en het zyn byzpnderlyk de groote Manhen dien verhevene manieren van fpreeken ontvallen. Zie , by voorbeeldt, het geen Alexander antwoordde, toen Parius hem de helft van Azia, nevens zyne dochter ten huwelyk aanboodt, Ik voor my, zei Parmenion tegen hem, indien ik Alexander ware zou ik die voorwaarden aanneemen. En ik ook , antwoordde die Vorft , indien ik Parmenion ware. Is het niet zeker, dat men Alexander moeft zyn om zulk een antwoordt te konnen geeven.

..... Ea

En het is in dat deel daar Homeras voornatnentlyk in uitgemunt heeft, wiens gedachten alle verheven zyn: gelyk men kan zien in de befchryving van de Godin Tweedracht f , en daar hy van zeit: .=' = . ;: • .'

Haar'' voeten ftaan op de aarde, en t htoft[leekt in den Hemel. _ —1 . ?? _ • .' ?.'.,

Want men kan zeggen dat de grapte heit die hy haar tqefchryft minder de maat der Tweedracht is , dan der uin. geftrektheit en der verheffing van dqn geeft diens grooten Dichters! Hefiodus heeft een vaers, zeer verfcheiden y,aa ditjin zyn Schildt geplaatft, (indien het waar zy dat dit Dichtftuk van hem is) daar hy van de Godin der Droef heit zegt, , ' ,

Haar dubbel neusgat droop van vuile vocbtigheit.

Hy maakt die Godin daar waarlyk niet verfchrikkelyk door , maar haatelyk en walghelyk. Zie in het tegendeel wat majefteit Homerus den Goden

.: toc

f Illut Bock 443 wer'.

toefchryfc, daar hy zegt dat hunne felbriefchende paarden met eenen fprong konnen overfpringen*,

Zoo groot een ruimte luchts, als iemantfoog gezeten jian't Jlrandt des Oceaans^kan met zyne oogen meetetr.

Hy meet de grootte van haaren fprong met de maat van 't Heelal. Wie zou dan niet met reden uitroepen, als hy de deftigheit van deeze Vergrooting ziet , dat de paarden ,der Goden geen plaats in de waereldt zouden vinden om een tweeden, fprong te doen. De tafereelen die hy van het gevegt der Goden maalt hebben ook iets groots, als hy zeit .f*;. i '•

Het Aartryk daverde en de hooge Hemel beefde.

En elders (*):

l'erwyl de Watergodt van woede en gramfchap raaft,

Verfchrikt de gantfche Hel , en Pluto zelf'verbaaft,

Springt van syw' zwarten troon.Hy fchretuwt, 0 Gomt der Vloeden

En

* Ilias s boek 770 'aeis. \ Ilias zi b. 38S v. (*) Ilias zo. I

« PreviousContinue »