Boogaard teekent (in zijn hier voren vermeld werk) op artikel 8 het navolgende aan: «Dit arti«kel schijnt de strekking te hebben dat, na de «invoering der wet, wel herbeplanting, maar geene «nieuwe beplanting zonder vergunning mag ge«schieden».

Het valt niet te ontkennen dat de woorden van het artikel tot die meening geregtigen. Leest men toch: «Geene thans nog onbeplante buitendijks ge«legen gronden of platen zullen met hout beplant «mogen worden, zonder bekomen permissie» enz., dan komt men, op grond van den (hoezeer altijd gevaarlijken) regtsregel: «qui de uno dicit, de al«tero negat» gereedelijk tot de gevolgtrekking dat, terwijl uitdrukkelijk bepaald wordt dat onbeplante gronden, zonder vergunning niet mogen beplant worden, tot de herplanting van alreeds (nl. vóór de invoering dezer wet) beplante gronden, die vergunning niet noodig is.

Het komt mij daarom voor, dat de geheele bepaling, zooals die nu gesteld is, afkeuring verdient. Want wat is de reden van het verbod? geene andere, dan dat door beplanting aan de goede gesteldheid der rivieren en stroomen ligtelijk nadeel zou kunnen toegebragt worden. Dat nadeel nu kan, dunkt mij, even goed toegebragt worden ingeval van herplanting, door b.v. daarbij andere soorten van boomen als de vroeger geplante te gebruiken, die welligt door al te weligen groei of op eenige andere wijze aan de rivieren hinderlijk kunnen zijn. — Waarom dus niet uitdrukkelijk ook hiervoor de vergunning verpligtend gesteld?

Nu is het wel waar, dat in het artikel het regt wordt toegekend aan de Commissie van Superintendentie om hout van gronden welke bevorens reeds beplant waren geweest, te doen amoveren. wanneer zij zulks voor de goede gesteldheid der rivieren en stroomen noodig oordeelt, maar ware het niet veel beter geweest in eens af ook de herplanting zonder verlof te verbieden? — de Commissie zou dan vooraf kunnen weten, welk hout men bezigen wil en daarvan hare al of niet toestemming afhankelijk maken, terwijl zooals 't nu is, eventueel de amotie zal geboden worden , die met veel moeite en kosten gepaard gaat,. aangezien naar luid van de 2e alinea van het artikel, in zulk een geval billijke schadeloosstelling tegen taxatie aan de eigenaars moet worden toegekend.

Gaan wij thans verder.

Art. 11 luidt: «Alle wetten, publicatien, bepa«lingen of usantien, of gedeelten van dien, welke «met deze gemaakte bepalingen strijdig zijn, worden «bij deze gehouden voor vernietigd.»

Art. 12. «Zoodra ontdekt wordt, dat iemand tegen «deze wet gehandeld heeft, zal dezelve telken reize «verbeuren eene boete van/600.—te verdeelen één «derde ten behoeve van den Officier, die de ca«lange doen zal, één derde ten behoeve van den«gene, die de overtreding aangeeft en één derde «ten behoeve van de armen der plaats, waar de «contraventie is geschied; en zulks onverminderd «de verpligting van den contraventeur, orn al het«geen contrarie deze bepalingen gemaakt of gedaan «is, op last van de Commissie van Superintenden«tie over den Waterstaat der Bataafsche Republiek, «dadelijk ten zijnen koste te amoveren, zonder dat «hem daarvoor eenig dedommagement zal gegeven worden.

Zullende zulks anderzins van wege den lande «ten zijnen kosten, op dubbel gewin, op last der «commissie geëffectueerd en op zijne bezittingen «des noods bij parate executie verhaald worden».

Volgt ten slotte eene aanmaning aan alle geëmployeerden op s'lands rivieren en stroomen, om scherp toe te zien, of er ook iets, hetwelk bij deze bepalingen verboden is, wordt gedaan; met last, in zoodanig geval tot onmiddelijke kennisgeving aan de Commissie van Superintendentie, enz.

Krachtens artikel 14 vervalt het oude water-regt, voor zoo ver strijdig met de in deze publicatie gemaakte bepalingen. De bestaande voorzieningen dus omtrent punten daarin niet besproken, blijven van kracht.

Het behoeft geen betoog , dat, wanneer de oude bepalingen met die der publicatie mogten overeenkomen en bijgevolg door beide in hetzelfde onderwerp en op dezelfde wijze voorzien is, die vroegere verordeningen door deze latere wet vervallen waren. De regtsregel: «lex posterior «abrogat priorem» wijst dit ten duidelijkste aan.

Wat betreft de straffen op het begaan der in de publicatie aangeduide wanbedrijven gesteld, en die gelijk wij gezien hebben, bestaan in geldboete en amotie van het daargestelde zonder eenige schadeloosstelling, — zij mogen vooral wegens de zware geldboete, gestreng schijnen; zij kunnen evenwel met het oog op de nadeelen die uit het plegen dier wanbedrijven zouden mogen voortvloeien, allezins geregtvaardigd worden

Een bekomen verlof van de Commissie van Superintendentie sloot alle toepassing van straf uit.

Deze Commissie bestond vroeger uit twee cóllegiën, die evenwel tijdens de Bataafsche Republiek inéénsmolten en van zamenstelling veranderden 2). Zij vormde het hoofdbestuur van den waterstaat en aan haar moest, krachtens de publicatie, van alle contraventien direct worden kennis gegeven.

Wij vinden nu deze water-regtelijke verorde

') Ten aanzien dier geldboete teekent Boogaard in zijn Wetten, Decreten enz. aan, dat volgens art. 1 der wet van 27December 1839. (St.bl. N". 53) de aandeelen in boeten niet meer door de ambtenaren van den waterstaat mogten genoten worden, maar in correctionneele zaken (b.v. in zaken bij de publicatie strafbaar gesteld) moesten komen ten voordeele van het Rijk, en in zaken van enkele politie, ten voordeele van de gemeentelijke of andere openbare kas, waaraan de hoofdsom der geldboete in den regel behoort.

s) Zie hierover méér bij J. Roëll „Historisch-Staatsregtelijk onderzoek naar het algemeen en het bijzonder bestuur van den waterstaat in Nederland, Utrecht 1866".

ning van Hun Hoogmogenden, in het Crimineel wetboek voor het koningrijk Holland implici'te gehandhaafd. Nadat toch is verklaard '), dat het wetboek zich geenszins uitstrekt tot zoodanige kleine overtredingen, de dagelijksche politie of plaatselijke administratie betreffende, waarvan de gestelde straf eene boete van vijftig guldens of eene driedaagsche gevangenis niet te boven gaat, volgt de bepaling van art. 7, luidende: «Insgelijks «worden door dit wetboek niet afgeschaft de navol«gende wetten, reglementen of voorzieningen, voor «zooveel die ten tijde van deszelfs invoering nog «in gebruik zijn», waaronder: N°. 15 «Betreffende het gebruik of onderhoud van gronden , duinen, dijken, wegen, wateren , havens, sluizen, bruggen, straten of grachten».

Kan men nu ook al meenen aan het Crimineel wetboek, als aan eene latere strafwetgeving, in deze den voorrang te moeten toekennen boven de publicatie van 1806, aangezien het crimineel wetboek in 1809 ingevoerd zijnde, slechts niet-toepasselijk wordt verklaard ingeval van kleine overtredingen, waarop eene vrij geringe boete of kortstondige gevangenis als straf is gesteld, en daarentegen de handelingen in strijd met de publicatie gepleegd, wezenlijke wanbedrijven zijn, die door eene zeer zware geldboete van zeshonderd gulden gevolgd worden, — het bepaalde in art. 7 Crim. wetb.

') Crim. Wetboek voor 't koningrijk Holland, Titel I, art. 6.

« PreviousContinue »