Alle de werken, Volume 0

Front Cover
By de wed, van Gysbert de Groot, 1709 - 520 pages
0 Reviews
 

What people are saying - Write a review

We haven't found any reviews in the usual places.

Selected pages

Other editions - View all

Common terms and phrases

Popular passages

Page 309 - En my verlustig in myn boeken, En hou de weereld voor myn gek. Al 's weerelds vreugd acht ik een spook, Die men op 't vaardigst ziet verzwinden. Dit leer ik hier, wyl 'k zit en smook: Mits ik daar daaglyks uit kan vinden, Dat alle vreugd is min als rook. Dit leer ik hier, en 't is gewis; Want waar ik myn gezicht mag keeren, Straks vind ik een gelykenis, Die my, uit 't geen ik zie, doet leeren, Hoe ydel dat de weerelt is. Een greins die ik van var beschou, Leert my de weereld wel bekyken, Mits d'ontrou...
Page 3 - Jonas van drie dagen, , En zo veel nachten, had gemaakt; En dat de Waard begon te klagen . Dat heel de Kroeg was vaats geraakt, Zo zou men het gelag gaan maken , 't Geen zo door 'thuis gefchrcven ftond, Dat men geen balk noch wand kon raken.
Page 308 - OVER T ONBESTENDIG GELUK Hoe wonderlyk verkeert des weerelds vreugd? 't Zoet word gevolgt van bittere ongeneugd, En geen geluk, hoe zeer 't de ziel verheugt, Of 't is gansch ydel. Wanneer men zich in volle voorspoed vind, Dan denkt men niet op felle tegenwind; Maar ach! men doold; want 't los geluk is blind, En zonder breidel. Die gistren noch een tweede...
Page 120 - k weet, dat gy, vol ongedult, Decs trouwloosheid noch zult beklagen. 'k Weet , dat gy noch na jaar en dagen Wel aan myn liefde denken zult. ' 'k Weet, dat gy 't uur noch zult vervloeken, . Waar in dat gy myn min verriet, 'k Weet, dat het...
Page 311 - Mits alles steunt op losse gronden, In 't end, 't is alles ydelheid. Des is de mensch berispens waard, Die wanhoopt in zyn ongelukken; Want geen ramp is van zulken aard, Dat ze iemand eeuwig kan verdrukken; Mits niets bestendig blyft op aard. Ook doolt de lukkige niet min, Die pochende op zyn goude schyven, ^ich steets niet beeld dan voorspoet in; Mits.
Page 310 - t zy arm, of ryk, In 't geen hy eertijds was, verkeeren; Zo maakt de dood elk een gelyk. Dit brengt my hier myn eenzaamheid Gestadig voor in myn gedachten, Zo dat ik leer geen zekerheid Van al dees weerelts vreugd te wachten; Want alles is maar ydelheid.
Page 308 - t los geluk op aard ! Hy, die op u met fchrandre oogen (kart, Vind dat gy niet dan zo een wellufl baard'Die maakt ellendig; En hy , die zoekt het alderhoogfte goed , Vertreed uw eer en glorie met de voet, En ziet zyn luk in eeuwige te moet, En dat 's beftendjg. • , l '.ii 'V
Page 311 - t geluk, en 't ongeval, Vermits geen staat zo in 't begin is, Gelyk ze in 't einde wezen zal. Verlossing volgt na zwaar ellend, Mits 't luk het onluk moet verdryven, Gelyk de smaat de vreugde schent, Dus kan geen staat in 't eerste blyven, Gelyk zy wezen zal in 't end.
Page 318 - Ik deze regel zit te malen , Een van ons volk , tot twee drie malen Uitroepen : 'k zie een zeil ! een zeil ! 't Geen my zal dwingen nu te enden, Om met het fchip Zeelandia, Daar ik zo (kak s in flappen ga, De (leven zeewaard in te wenden.
Page 310 - Die steets ontrent de Hooven woonen, En spot met al die slaverny. Of zie ik voor my op het beeld Van Karel, d'oude Britsche Koning, Zo dunkt my, dat het niet veel scheelt, Of 't leven is maar een vertooning, Daar ieder mensch zyn rol in speelt. 't Is waar, d'een toont een...

Bibliographic information