Werken der Bataafsche maatschappij van taal-en dichtkunde, Volume 5

Front Cover
J. Allart, 1809 - Dutch philology
0 Reviews
 

What people are saying - Write a review

We haven't found any reviews in the usual places.

Other editions - View all

Common terms and phrases

Popular passages

Page 196 - k most dat woort Zoo luidt niet denken dat ze 't hoort; Het mogt haer bet doen spoeien. En gy, myn lief, schoon 't licht alre 20 De werelt op haer oude st Komt leveren en wyzen, Wat raekt ons 's hemels wenteling? Die om geen' nacht te bedde ging Hoeft om geen
Page 185 - Rijst weer, met opgesteken' kop En uitgebreide pennen, En kneedt en klieft de dunne lucht , En — is niet meer te kennen. Waar vloog hij ? — Daar hij 't Rhijnstroomnat Van de eeuwiggrijzende Alpen, In eenen wijden kom gegaard, Langs 't Zwitsersch zand zag zwalpen.
Page 195 - s ouden Thitons koets U wat min leets, en wat meer zoets, Gy zoudt wel later klimmen. Een jongeling hielt u gewis Op 't rozendons in hechtenis ; 15 Daer zou Cefael u boeien.
Page 192 - Heerlickheits, tot soo veel Nuts gebrocht: God, die u Macht en Pracht met Reden gaf te voegen, God geev...
Page 95 - Gij, Dichter, bezig al wat geest en kunst gehengen. Leer 't aaklige aan het blijde, en 't sterke aan 't zachte mengen, En stem uw tonen naar het voorwerp dat gij maalt, Dat zelfs de klank van 't vers uw denkbeeld achterhaalt. Laat Zefir in uw zang op luchte vlerkjes suizen, En 't kabblend nat der beek met zacht gemurmel bruisen.
Page 133 - Agtervoegfels , zo men will1 , zo lange het Zakelijke voogd blijft en boven klinkt, kan het wezendlijke van de Tael geene kreuk lijdcn.
Page 86 - Breekt deezen handt der menschelyke maatschappye; 't Ryk leidt aan kooien ; de Majesteit in d' asch. Wantdat men Godts plaats bekleeden zal , en qnalyk bewaareu , staat Gode niet te lyden. En quaalyk waar ze bewaart, zoo men, ziende op muitery en kettery door de vingeren , dat schuim en uitschot aller schelmstukken ongestraft liet. Neerlandt heeft verbeurt , oft niet. Indien niet , het boete niet. Indien jaa , jaa zoo groffelyk teeghens Godts Majesteit en de uwe , wat reede , wat verw , wat schyn...
Page 95 - t kabblend nat der beek met zacht gemurmel bruizen. Doch stort zich 't stormend nat met ziedend buldren uit , Zoo siddre uw woest muzyk van 't dondrend stroomgeluid. Laat d...
Page 91 - Zich kronkelt om zijn' roof, en hem te plettren wringt ; . Dan , zwervend door het woud met fcherp gewette tanden , Met glonden blik en nooit verzadigde ingewanden , Bij elke teug van bloed, nog dorftende naar meer, En ftortende op zijn prooi met hongrig brullen neer ; Die veinsaard zoo vol list, die moorder zoo vol woede, Staag vleijend jegens hem, die voor zijn...
Page 195 - Daer zou Cefael u boeien. Maer, goede goden, 'k most dat woort Zoo luidt niet denken dat ze 't hoort ; Het mogt haer bet doen spoeien. En gy, myn lief, schoon 't licht alre 20 De werelt op haer oude ste Komt leveren en wyzen, Wat raekt ons 's hemels wenteling? Die om geen...

Bibliographic information