Biographisch, anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters, Volume 1 (Google eBook)

Front Cover
C. L. Schleijer, 1821 - Dutch poetry
0 Reviews
  

What people are saying - Write a review

We haven't found any reviews in the usual places.

Selected pages

Common terms and phrases

Popular passages

Page 28 - Juich, Hemel ! juich ! De Koning leve ! Zijn rijk groei' aan in deugd en magt. Dat al wat leeft hem eere geve, Voor 't geen zijn goedheid heeft volbragt.
Page 264 - Zoo sprak de Min, en snelde voort. De bengel hield aan mij zijn woord ! Mijn kindsheid was maar naauw voorbij , Of hij was altoos aan mijn zij'.
Page 265 - Toen schonk hij mij een elpen lier, En leerde mij , met lossen zwier , Op allerhande trant en maat Hoe hij de zilvren koorden slaat. Doch — schoon mijn speeltuig helder klonk, Toen hij mij schoone Pillis schonk, Kreeg steeds mijn teedre pozij Een aangenamer melodij.
Page 338 - En warm heeft mij het hart geslagen, Bij 't levenslot, mij toegedacht; Een morgen gronds, een kleine woning, Verheerlijkt door de liefde en trouw, Was mij en mijne brave Vrouw De lusthof van den rijksten koning, Als wij, in 't kunsteloos prieel, Of onder 't ruim der starredaken, Van God en 't eeuwig leven spraken, En dankten voor 't bescheiden deel. En nu — ik kan mijn haren tellen, Maar wie telt mijner tranen tal? Eer keert de Rijn weer tot zijn wellen, Eer ik den slag vergeten zal; Dien slag,...
Page 338 - Mij sterken in Uw vadertrouw, Die nimmer plaagt uit lust tot plagen: Maar toch, het valt mij zwaar, te dragen Dien zwaren last van dubblen rouw ! Te Katwijk, waar de zoute golven, o Rijn! u wachten in haar' schoot, Daar ligt in 't schrale zand bedolven Mijn kostbaar offer aan den dood.
Page 339 - En lei het in de groote kist En aan de borst, die 't wicht moest laven, Dat nimmer laafnis noodig had: Ik dacht, n huis behoort aan beiden : Wat God vereent, zal ik niet scheiden; En sloot in de urn den dubblen schat. Noem' hij deze aarde een hof van Eden, Wie altijd mogt op rozen gaan: Ik wensch geen' stap terug te treden Op de afgelegde levensbaan.
Page 253 - t harte joeg! Uw moeder zag u — en het leven Ontvlugtte aan heur benepen hart! Uw vader...
Page 339 - Noem' hij deze aarde een hof van Eden, Wie altijd mogt op rozen gaan: Ik wensch geen' stap terug te treden Op de afgelegde levensbaan. Ik reken ieder' dag gewonnen, Met moeite en tranen doorgesloofd. God dank, mij draaiden boven 't hoofd Reeds meer dan vijf en dertig zonnen! De tijd rolt, als dees bergstroom, voort.
Page 135 - t jaegen met het orgel van haer' mond. Men ziet 'er andren, met de vleugels aen de voeten, Voortvliegen als een fchim, 't godinnendom begroeten Met duizend zwieren; nu laveren heel in ly Op d'eene fchaets, en voort gezwiert aen d'andre zy, 't Omwerpen, fneller als een arend op zijn pennen , En foeller als door 't fneeu de Ssmojecden rennen.
Page 24 - t meir, Waarop geen windje blaast. 't Is alles hemel wat men ziet; Zelfs bergen vlugten heen. 't Verdorde blaadje schuifelt niet; 't Gestarnte spreekt alleen.

Bibliographic information