Liedjes

Front Cover
Suringar, 1834 - 112 pages
0 Reviews
 

What people are saying - Write a review

We haven't found any reviews in the usual places.

Other editions - View all

Common terms and phrases

Popular passages

Page 104 - Er krulden lokken, bruin en zwaar, Om 't frisch en blozend wezen; Zoo blank een vel , zoo schoon een hair . . Ik zag het nooit voordezen. In 't vriendlijk oog, dat helder blonk, Was 't open hart te lezen: Zoo blaauw een oog, zoo zoet een lonk.. Ik zag het nooit voordezen. Hoe wist zijn stem, zijn enkle toon, Mij lieflijk mee te slepen! En wat hij sprak... het was zoo schoon, Al had ik niets begrepen. Hij kwam getrouw en telkens weer, (Ik zocht hem niet te ontvlugten) Hij greep mijn handen elken keer...
Page 56 - t graauw verschiet, Het rijzend daglicht weer, En zing mijn vrolijk morgenlied En denk aan God den Heer. 54 DE GELUKKIGE BOER. De kraaijen fladdren om mij rond En volgen mij naar 't land ; 't Gevogelt' groet den ochtendstond En wipt van plant op plant. Intusschen vangt de zon haar loop , Haar schittrende opvaart aan. . . Dat schouwspel vindt men niet te koop , Naar welke markt wij gaan. En als het duizendkleurig kruid Het dwalend oog vergast, En als het jonge zaad ontspruit...
Page 90 - FABEL. ilen kleine hond , die lang niet had gegeten En hongrig was , zag onverwacht Een kostlijk been zich toegesmeten, En kloof en smulde uit al zijn magt. Een groote hond , die ginder stond te snuiven , Dacht: wat of toch die kleine doet? Mij dunkt hij kluift...
Page 113 - ... wel en zeer wijs aan gedaan; Vertel op den duur ons al meer, Jurriaan! En waar ik kwam, ik vond alom In rijken en in staten, De menschen even slecht en dom Als hier in onze straten. ALLEN. Daar hebt gij heel dwaas en verkeerd aan gedaan; Vertel maar niet meer, gij mijnheer Jurriaan! DE NAVOLGEKS.
Page 89 - Als kindren u beweenen. 86 LIED NA DEN VREDE VAN 1779. Gij, zegen, Gij, die alles ziet! De stichters van den vrede, Maar zegen vorstenvleijers niet: Dat is, o God! mijn bede. DE MENSCH. Gewonnen en geboren, Beginnen wij te zien, Te schreijen en te hooren, Te praten bovendien. Wij schieten uit de kluiten En worden kloek en stout; Beramen en besluiten En grijpen glimp voor goud. Wij tobben en wij sloven Om meerder dan ons deel; Wij twijflen en gelooven Te weinig en te veel.
Page 13 - Eet, lieve zon!" zoo zou ik spreken, „En wilt gij meer, zoo vraag." Maar daar ik u geen dank kan toonen Voor wat gjj doet en deedt, Zoo moog de goede God u loonen , Die alle dingen weet. En daar ik Hem niet kan aanschouwen, Van wien ge uw glans ontleent, Zoo moog het werkstuk mij ontvouwen Hoe goed de Maker 't meent. Wees welkom, welkom allerwegen, Gewrocht van gloed en goud! Breng weer ons arme landlni zegen En groei aan veld en woud.
Page 76 - Zoo eren zat hij aan mijn zij' En hield op u den blik, En sprak weer: „Hij heeft veel van mij, „Maar toch geen neus als ik.
Page 27 - Dat werk-alleen bestaat: Dat kan geen roest, geen mot doorknagen; Dat brengt geen magt ten val! — Op God, gij volken! 't oog geslagen! Gij, vorsten, gij vooral! Uit eigenwaan en zelfvereeren Spruit nooit een goed gewin; De godsvrucht en de vrees des Heeren Houdt elken zegen in. AVONDLIED. -De...
Page 62 - Voorwaar , wel te vree , vergenoegd zijn en blij , Dat , mannen ! zijn kostbare zaken : Het menschdom nogtans , hoe verlicht het ook zij , Telt veel onverstandige snaken : In plaats dat men stuurman en loods laat begaan , Zou elk wel aan 't roer van het schip willen staan. KOOR. In plaats dat men stuurman en loods laat begaan, Zou elk wel aan 't roer van het schip willen staan. En draaide nu elk eens het roer naar zijn lust , Hoe dwars zou het scheepje dan gieren ! Het zwalpte van de eene naar de...
Page 68 - Hij, hij is liefde: hij gedenkt ons in 't verborgen: Wie bouwt op hem, die bouwt gewis! Hij , hij zal ook het dierbaar kroost verzorgen , Dat onze gansche rijkdom is. Hij zal het leiden en bestieren en bewaken, Opdat het rein zij , vroom en goed , En 't andren zoo gelukkig eens moog' maken Als mij de lieve moeder doet.

Bibliographic information