2. Wanneer een gebod een len of 3en pers. geldt, dan kan dit uitgedrukt worden door een mededeelenden zin met een der hulpww. moeten of zullen: Ik móet vertrekken. Hij zdl gehoorzamen, enz. Ook kan het geschieden door een wenschenden zin, op bevelenden toon uitgesproken: Laat ik voortmaken! Laat hij oppassen! (Vglvoor het laatste § 198.)

Aanvoegende wijs.

198. De aanvoegende wijs (mogelijkheidswijs) bestaat uit de vormen, waardoor eene werking als m o g e 1 ij k voorgesteld kan worden. In onze taal beperken deze vormen zich tot lichte wijzigingen van den len en 3en pers. enkv. van den onv. en volt. teg. tijd en den onv. en volt. verl. tijd der aantoonende wijs: ik of hij neme, ik of hij hebbe genomen, ik of hij name, ik of hij fiadde genomen. Voor een w.w., dat met zijn vervoegd wordt, zijn de voltooide tijden: ik of hij zij vertrokken, ik of hij ware vertrokken. Voor de overige personen, den len en 3en pers. meervoud en den 2en pers. enk. en meerv. zijn de mogelijkheidsvormen geheel gelijk aan de werkelijkheidsvormen.

Bovendien kan van de vermelde vormen in den enkelvoudigen zin slechts de 3e persoon van den onv. teg. tijd gebezigd worden, en wel in de volgende gevallen:

1°. voor een vervulbaren wensch, eene opwekking, een voorschrift enz.: De koning leve! God zij met ons! Gr oei e en blo ei e onze nieuwe school! Hij doe zijn best. Hij wet e het wel. Men neme een lepel slaolie, enz.

2°- voor eene toelating: Hij ga zijn gang! Welnu, hij neme het ding gerust weer mee, enz.

De bespreking der mogelijkheidsvormen in den samengestelden zin volgt in het 2e deel.

Opmerkingen. 1. De vormen der aanvoegende wijs zijn in tegenstelling met die der aant. wijs wèl onder den invloed van een modaliteitsteeken ontstaan. ') Dit teeken kwam in alle persoons

') Een kortere of langere iV-klank, die tusschen den stam en den persoonsuitgang gevoegd werd. Het vermoeden is uitgesproken (W. Scherer), dat dit modale tusschenvoegsel oorspronkelijk zou beteekend hebben, dat de werking behoorde te geschieden. Hij geve zou dus gelijk gestaan hebben met: hij te geven heeft.

vormen van de tijden 1, 2, 5 en 6 voor, maar alleen in den len en 3en pers. enkv. is er een spoor van overgebleven. De andere vormen zijn weer aan die van de aant. wijs gelijk geworden.

2. Bij het ontbreken van mogelijkheidsvormen voor den len en 3en pers. meerv. en den 2en pers. enkelv. en meerv. is als modaal hulpwyv. het ww. mogen in gebruik gekomen: lk moge slagen of Moge ik slagen. Moogt gij slagen of Moog je slagen. Hij moge slagen of Moge hij slagen. Mogen wij slagen. Moogt gij slagen of Mogen jullie slagen. Mogen zij slagen.

Op te merken is, hoe alleen bij ik en hij zoowel de mededeelende als de vragende woordschikking mogelijk is. Bij de andere personen is de vragende woordschikking onmisbaar, anders wordt de wensch eene mededeeling.

3. Terwijl mogen modaal hulpww. is in wenschen, dient laten als zoodanig in opwekkingen en aansporingen: Laat ik voortmaken. Laat hij (laat de jongen) wat voortmaken. Laten wij of zij wat voortmaken.

Om deze constructie te begrijpen, is op te merken, dat de onverbleekte beteekenis van laten „veroorzaken* of „toelaten* (fr. faire of laisser) is. Laat mij, hem, ons, hen, den jongen of de jongens hard loopen heeft dus allereerst de twee beteekenissen: Maak mij, hem, den jongen enz. hard loopende of Laat mij, hem, den jongen, enz. toe, hard te loopen. Laat is in het eene en het andere geval een geb. wijs, gevolgd door den 4en nvl. als 1. v.

De vorm is echter ook in gebruik gekomen als omschrijving voor de aanvoegeode wijs, en kreeg zoo de beteekenis: Dat ik, hij, de jongen hard loope; dat wij, zij, de jongens hard loopen. Het gevoel, dat de aangeduide of genoemde personen hier meer actief optreden, verklaart bij dit verbleeken van laten tot een hulpww. van modaliteit, hoe de 4e nvl. in een len kon overgaan: Laat ik, laat hij (laat-i), laatwe, laat-ze hard loopen, en hoe vervolgens in de beide laatste gevallen de persoonsvorm met het nieuwe meerv. onderwerp ging congrueeren: Laten we, laten ze voortmaken.'

In het Hd. heeft deze overgang niet plaats gehad; daar is het altijd: lass mich gehen, lasst uns gehen! Trouwens ook in onze taal is de 4e nvl. in deze omschrijving der aanv. wijs naast den len nvl. in gebruik gebleven, althans in den len pers. enkv. en meerv.: Laat mij liever zeggen. Komt, laat ons gaan! In den 3en pers. enkv. en meerv. hebben de gemakkelijker vormen: Laat hij (laat-i) en laten ze algemeen de voorkeur gekregen.

Voorwaardelijke wijs.

199. Voorwaardelijke wijs is een term ter aanduiding van de vormen, die beschikbaar zijn om de onwerkelijkheid of onmogelijkheid van den gezegde inhoud uit te drukken. Bijzondere vormen, ontstaan onder den invloed van een speciaal raodaliteitsteeken, hebben zich daartoe niet ontwikkeld, maar de verledentijdvormen, zoowel van de aantoonende als van de aanvoegende wijs, zijn voor dit doel in gebruik gekomen:

1°. Onvoltooide vormen: ik gaf, ik kwam, ik zou geven, ik zou komen, ik gave, ik kwame;

2°. Voltooide vormen: ik had gegeven, ik was gekomen, ik zou gegeven hebben, ik zou gekomen zijn, ik hadde gegeven, ik ware gekomen.

Daar hetgeen verleden is, niet meer bestaat, is het begrijpelijk, hoe deze vormen middelen konden worden tot uitdrukking van het niet verwachte, het niet bestaande, het onwaarschijnlijke, het onmogelijke. Het zijn alzoo tijdvormen, die dat karakter geheel hebben afgelegd en zuivere modusvormen geworden zijn. Een zin als: Kregen de jongens maar vacantie, voert den hoorder niet met zijne gedachten naar een tijdstip in het verledene, maar bepaalt hem tot het tegenwoordige en beteekent voor hem: „die wensch naar vacantie wordt waarschijnlijk niet vervuld."

Zoodra alzoo een verleden-tijdvorm niet aan een verleden tijd doet denken, maar aan een onwaarschijnlijke of geheel onmogelijke werking of toestand, is het een modusvorm, behoorende tot de groep, aangeduid met den naam van voorwaardelijke wijs.

Evenals van de vormen der aanvoegende wijs zijn de diensten dezer vormen eerst volledig te beschrijven na de behandeling van den samengestelden zin (2e dl.). Voorloopig is alleen na te gaan, welk gebruik er in den enkelvoudigen zin van gemaakt wordt.

Opmerking. De naam „voorwaardelijke wijs', de vertaling van conditionalis, is al bijzonder slecht. Hij levert het gevaar op, dat wie niet met den term vertrouwd is, er vormen onder verstaat, bestemd voor zinnen, die eene voorwaarde uitdrukken. Onwerkelijkheids- of onmogelijkheidswijs (irrealis) geeft de beteekenis beter aan.

De naam is intusschen bruikbaar, wanneer men hem opvat als: modusvorm voor niet te vervullen voorwaarden, of ook voor werkingen, die van dergelijke onvervulbare voorwaarden afhankelijk zijn. De straks volgende voorbeelden zullen dit nader toelichten.

200. In hoofdzinnen komt de voorwaardelijke wijs voor in de volgende gevallen:

1°. in onvervulbare wenschen: Had hij toch wat meer geduld. God gave het. Deed iedereen maar als hij. Bleef die regen maar wat aanhouden. Mocht hij slagen. Mochten zij zich dat voorrecht waard toonen. Had(de) hij maar een rijtuig genomen. Was (ware) hij maar niet vertrokken.

2°. in toelatingen van iets, dat waarschijnlijk toch niet zal geschieden: Mijnentwege ging hij zijn gang. Hij kon het ding gerust weer meenemen. Voor mijn part bleef hij weg.

3°. als beleefdheidsvorm, waarbij de spreker wat hij wenscht of zegt uit bescheidenheid als misschien niet of moeilijk vervulbaar, of als mogelijk minder juist voorstelt: Ik wilde mijnheer weleens spreken. Ik zou nog wel een kopje thee lusten. Het kon wel gaan regenen. Hij mocht zijn tante weleens gaan opzoeken. Hij moest wat bedaarder zijn.

4°. in aarzelende, twijfelende vragen, waarop gemeenlijk een antwoord gevreesd wordt, dat niet met sprekers verwachting strookt: Zou de trein al aan zijn? Zouden wij de boot nog halen? Zou ik dat werk kunnen doen?

5°. in oratorische vragen met de bedoeling, dat een bevestigend antwoord ondenkbaar is: Wa r e dat rechtvaardig? Zou dat rechtvaardig zijn? Zou zoo iets geduld moeten worden? Konden zulke fouten niet vermeden worden?

Opmerking. Uit de voorbeelden blijkt, dat deze onmogelijkheidsvormen deels als tegenstelling van de aanvoegende, deels als tegenstelling van de aantoonende wijs dienen. Tegenover 1° en 2° staan vervulbare wenschen en toelatingen van mogelijke dingen: Hij hebbe wat meer geduld. Hij ga zijn gang, enz. Tegenover 3°, 4° en 5' staan stellige, onomwonden beweringen: Ik w il mijnheer weleens spreken, enz.; gewone vragen: Is de trein al aan? enz., en minder sterke oratorische vragen: Is dat rechtvaardig? Moet zoo iets geduld worden?

AANHANGSEL.

Bij § 30.

Daar de rubriek der oorzakelijke voorwerpen tot zoo velerlei twijfel aanleiding geeft, volgt hier eene wel onvolledige, maar toch vrij uitvoerige opgave van gezegden, bij welke het constant voorkomen van een der in § 29 onder 2° genoemde voorzetsels een uiterlijk kenteeken is, dat het volgende zelfst. naamwoord of voornaamwoord als voorwerp, d. i. als de naam of de aanduiding van een noodzakelijk in de handeling of den toestand betrokken wezen of ding, beschouwd moet worden. De naamwoordelijke gezegden zijn daarbij gescheiden van de werkwoordelijke en de synonieme gezegden zooveel doenlijk bijeengebracht. Op deze wijze levert de lijst een beknopt en toch vrij volledig overzicht van de belangrijkste figuurlijke beteekenissen der voornaamste voorzetsels.

[table]
« PreviousContinue »